Leesfragment De demonen - Vrijheid of duisternis
Door: WB Fantasy.nl op 16 augustus 2012


Tobias O. Meissner studeerde Communicatie- en Theaterwetenschappen. Hij woont in Berlijn en is freelance schrijver. Zijn boeken hebben in Duitsland een cultstatus verkregen bij fantasyliefhebbers. 

Twintig jaar geleden ontsnapten twee demonen aan hun magische gevangenschap en stortten het land in een verwoestende oorlog. Nu breken meer dan honderdduizend demonen uit! 


Marna Benesand reed heen en weer, heen en weer. Haar wangen waren
rood. Ze had 990 vrouwen en mannen te paard onder haar bevel, en die
990 behoorden tot de besten en taaisten die de troep vluchtelingen te bieden
had gehad.
Marna Benesand dacht na. Over Faur Benesand, hun geestelijke en ook
lichamelijk verinnerlijkte vader. Had ze hem niet willen zoeken in het
mistige Coldrin? Naar tekenen van zijn aanwezigheid of zijn voorbijkomen
speuren? Nu zat ze hier vast, mocht niet verder, moest wachten,
wachten, wachten, tot de koningin, weerloos, hinkend, gewond in lichaam
en ziel, alle beslissingen alleen had uitgevoerd!
De koningin had Marna nooit iets verweten omdat háár paard de rode
hondendemon in staat had gesteld haar been te breken en haar heupen
te verscheuren. Maar toch voelde Marna de schaamte nog altijd. De
schaamte was als een dwang om de smaad uit te wissen en voortaan alles
beter te doen dan van haar verwacht werd.
Maar wat kon ze doen met haar 990 vrouwen en mannen? Hoe graag
had ze de dorpen van het veel te lang gevreesde Coldrin overvallen, ze
platgebrand en geplunderd, en angst gezaaid in het griezelige land van
de sprookjes uit haar jeugd. Maar dat zou schadelijk zijn voor de onderhandelingen
en het bondgenootschap die het doel van de koningin
vormden. Hoe graag was ze dieper in Coldrin doorgedrongen als misschien
wel de eerste ontdekkingsreizigster uit Orison, had ze kaarten laten
vervaardigen om het griezelige land te ontginnen en begrijpelijk te
maken. Maar ze mocht hier niet weg, mocht de terugkeer van de koningin
niet missen. Hoe graag had ze naar Faur Benesand gezocht en –
mocht blijken dat hij hier nooit was geweest – een en ander aan zijn legende
toegevoegd. Maar ze had nu 990 vrouwen en mannen te beschermen
en mocht niet meer alleen aan zichzelf en haar mooie zusters denken.
’s Avonds ging ze van kampvuur naar kampvuur en vertelde over haar
beroemde vader. Onder de 990 waren er verscheidenen die hem zelfs persoonlijk
hadden gekend. Faur Benesand was nog altijd een van de coördinatoren
van het Zesde Baronaat geweest, en iedereen die daar destijds
had gewoond kende op z’n minst zijn naam en reputatie. ‘’t Was een knappe
vent, ja, dat valt niet te ontkennen,’ zei iemand die nog aan de Irathindurische
Oorlog had deelgenomen. Meer viel er niet uit hem te krijgen;
hij draaide eromheen en weigerde zijn mening te geven toen Marna hem
wilde aanmoedigen om te vertellen. Misschien heeft Faur destijds zijn meisje
wel ingepikt, dacht Marna minachtend. Dat moet niet moeilijk zijn geweest
als ik die ouwe zak zo zie.
Toen in de nevelige ochtendschemering van de zesde dag duizenden rekamelkisjkrijgers,
traag alsof ze gewend waren te overwinnen, de heuvels
aan de linkerkant begonnen te overspoelen, wist Marna Benesand onmiddellijk
dat haar laatste uur geslagen had. Koningin Lae C was nergens te
zien onder dit oprukkende leger. Het waren alleen maar monsters die op
monsters reden. Het moesten er meer dan 5000 zijn.
‘Vrouwen en mannen!’ riep Marna haar snel opgestelde leger met bevende
stem toe. ‘Dit is het uur van de waarheid! Onze koningin mag dood
zijn, ontvoerd of gevangen, maar zolang er ook nog maar één sprankje
hoop schittert dat ze nog leeft, zullen wij niet wijken, want ze heeft tegen
mij gezegd: “Hou vol!” En volhouden zullen we, mijn dierbaren, mijn getrouwen,
tot het bewijs van haar in de mist gevallen beenderen onmiskenbaar
in ons aller ziel brandt! Wij wachten op onze schone koningin!
Dan laten we ons toch door een paar insecten niet van de wijs brengen?
Wij zijn Orisoners! Wij zijn Orison! Laten we dit krabbelende, krioelende
uitschot uit Coldrin eens laten zien dat duizend van ons veel meer waard
zijn dan een paar duizend van hen!’ De vrouwen en mannen brulden jubelend
en wakkerden al brullend hun moed en doodsverachting aan. Marna
wentelde zich in de onverholen bewondering van haar zusters Aligia,
Teanna, Zilia, Tanuya, Myta en Hazmine. Ze waren allemaal zo mooi –
Marna wilde op dit moment wel met elk van hen afzonderlijk of met allemaal
tegelijk de liefde bedrijven.
Een tweede leger insectenkrijgers begon over de rechts liggende heuvels
te stromen. Nog eens dan 5000. De aanblik was ontstellend. Verpletterend.
Ingewandenverslappend. Spierverwaterend.
‘Vrouwen en mannen!’ Marna Benesands stem snikte bij elke lettergreep.
‘Wij zijn helden! Wij zijn onbuigzaam! Maar bij onbuigzaamheid
hoort ook dat wij de toestand niet miskennen! Dat we niet verblind worden,
maar ons steeds van onze verantwoordelijkheid bewust blijven! Wij
zijn Orison! Als we hier nu sneuvelen, kan niemand van ons de koningin
meer bevrijden, die misschien naakt en in ketens als slavin wordt misbruikt!
Als we hier nu sneuvelen, overvallen de insectenmonsters als volgende
onze in de bergen verborgen vluchtelingenfamilies, en niemand
kan hen waarschuwen! Daarom, mijn dierbaren, mijn getrouwen – laten
we in de zure vrucht van de schande bijten om met elkaar te proosten met
zijn zoete sap! Terugtrekken! De bergen in! Voooolg miiijjj!’
De vrouwen en mannen schreeuwden en jubelden nog luider dan
tevoren. De ogen van Aligia, Teanna, Zilia, Tanuya, Myta en Hazmine
glansden vochtig van liefde, bewondering en dankbaarheid. Marna voelde
warme golven door haar lichaam gaan. Eindelijk, eindelijk kon ze iedereen
laten zien dat ze voor aanvoerster in de wieg was gelegd! Faur Benesand
zou vanuit de hemel of vanaf zijn hoge wereldverzakende kluizenaarsberg
– of op welk hoog punt hij zich ook maar mocht bevinden – trots
naar haar glimlachen en haar zegenen.
Marna had haar paard net gekeerd toen het dal tussen de heuvels links
en rechts zich vulde met een derde rekamelkisjleger, nog eens 7000 op
monsters rijdende krijgers. Voor aan dit middelste leger kroop een groteske
kever, ongeveer zo groot als een span paarden. Op de rug van die
kever was een cirkelvormige balustrade aangebracht. Bij die balustrade
stonden de negen laatste begeleiders van de koningin te zwaaien en te lachen,
en in het midden van het platform zat koningin Lae C op een van
beenderen gemaakte stoel en zag er bleek en plechtig uit.
Marna hield haar paard in en keerde opnieuw. Haar 990 getrouwen
overreden haar bijna, maar kwamen vervolgens ook wanordelijk tot staan.
‘Gegroet!’ riep de koningin hun welwillend toe. Haar stem klonk mat
en hol, alsof ze onder invloed van een betovering stond. Maar toen schudde
ze zich en maakte duidelijk dat ze geen gevangene was. ‘Ik dank jullie
dat jullie hier op mij hebben gewacht.’ Of ze de spot met hen dreef of het
serieus meende, was op deze afstand niet duidelijk. ‘De onderhandelingen
met de koning van dit land hebben succes gehad. Wij hebben 21.000 bereden
krijgers als versterking gekregen, een leger dat in staat zal zijn de
demonen gevoelige verliezen toe te brengen en de nog niet onderworpen
mensen van Orison nieuwe moed te geven. Laat mij voorstellen: aan mijn
rechterhand, de eerste divisie onder kapitein Chahiddu.’ Koningin Lae
wees op de heuvels die voor Marna links lagen. Kapitein Chahiddu was
een kolos, dik, met een baard en een kaal hoofd, zwart van huid als alle
Coldriners, en hij reed op een gigantische zilverkleurige pissebed, het
weerzinwekkendste dier dat Marna ooit had gezien.
‘Aan mijn linkerhand,’ ging de koningin verder met uitgespreide armen,
‘de tweede divisie onder het bevel van de ervaren kapitein Dirgraz.’ Voor
de insectenruiters op de heuvels rechts gleed een slanke, witharige man
op een soort duizendpoot zo groot als een kleine brug. De man lichtte
zijn absurde helm op en knikte Marna zelfgenoegzaam toe.
‘En achter mij de derde divisie onder bevel van de jullie reeds bekende
kapitein Jmuan.’ Jmuan hief groetend zijn hand op vanaf zijn bidsprinkhaan-
spinkruising.
Marna voelde dat haar dijen net zo begonnen te beven als de flanken
van haar paard. Ze had nu al vaker aanvallende demonen meegemaakt –
onder Hugart Belischell, in de hoofdstad en vlak voor ze het Wolkenpijnigergebergte
hadden bereikt –, maar geen van die aanblikken was ook
maar half zo afschuwelijk geweest als dit kruipende leger van nachtmerrie-
insecten. ‘Ze zijn érger dan demonen!’ schreeuwde het in haar. ‘Waar
laten we ons mee in? Met welke demonenpoel sluiten we hier een pact?’

WB Fantasy.nl

Kijk  HIER  voor meer info over het boek!



Bezoekersreacties: