|
Oceandus Hylfridus Mandaar woonde in Helios, een dorp op het magische en verborgen eiland Magistraal. Hij had een kort, wit en warrig baardje met her en der een iets langere pluk alsof er lukraak in was geknipt. Tussen alle witte haren waren rode plukjes zichtbaar, wat het geheel een humoristisch effect gaf. Op zijn hoofd prijkte een dikke bos zilverwit haar, met dunne strengen rood erdoorheen. Hij had vriendelijke groene ogen, waarmee hij de gave had om mensen snel op hun gemak te stellen. Niemand kende zijn ware leeftijd en dit hield hij graag zo. Zelfs zijn eigen vrouw Hyciande wist zijn werkelijke leeftijd niet. Op een avond stond Gilvano Speldenaar – uitvinder van de magische doek en vriend van de familie – overstuur voor zijn deur. ‘Oceandus, alweer! Dat leuke jonge stel van boomhuis 45? Weg! Nu komt het ergste van alles: volgens de berichten zijn ze naar Zitana vertrokken!’ Gilvano kauwde van ellende op zijn grijze baard en zijn ogen stonden verwilderd als van een in het nauw gedreven dier. ‘Zoiets heb ik ook opgevangen,’ reageerde Oceandus. ‘Als dieven in de nacht! Wat heeft Zitana hun te bieden? Straks is Helios leeg!’ ‘Macht, mijn vriend. Toch zou ik graag willen weten...’ ‘Er zijn ook gezinnen met kinderen vertrokken,’ zei Gilvano, die nu helemaal van de kook was. Hier maakte Oceandus zich ook vreselijke zorgen over, want hij hield van kinderen. Ze waren de toekomst en wat stond hen in dat duistere dorp voor toekomst te wachten? Hij keek naar zijn nerveuze vriend en legde een hand op diens schouder. ‘Waarde vriend, haal die baard tussen je tanden vandaan, voor je er in stikt. Ik ga naar Zitana, vanavond nog.’ Oceandus klonk luchtig, hij had dan ook een rotsvast vertrouwen in een goede afloop. ‘Dival Grameldi bekleedt een positie in Zitana die ongeveer overeen komt met de mijne in Helios. Ik zal eens een woordje met hem wisselen, Gilvano, het komt wel goed.’ Oceandus’ dochter Meandre daalde de trap af en hij keek naar haar rode, glinsterende haar en naar de schoonheid die ze uitstraalde. Hij wilde vrede, juist voor zijn dochter die nog maar net in de bloei van haar leven was. Oceandus pakte zijn Vlo en Versprintte naar het hol van de leeuw. Hij moest de bedoelingen weten; begrijpen waarom er een spanning heerste en waarom goede magiërs hun veilige thuishaven verlieten om zich te begeven naar een dorp dat zich zo afzijdig hield. Oceandus was niet eerder in Zitana geweest en hij had veel moeite om zijn ogen te laten wennen aan de duisternis waarin het dorp was gehuld. De omgeving was doorspekt van een duistere geur waar Oceandus het benauwd van kreeg. Toen hij enkele geluiden opving, vertelde zijn instinct hem zich achter een grote boom te verbergen. Voorzichtig, maar ook nieuwsgierig, gluurde hij om de dikke stam van de boom. Een groep, gehuld in grijze mantels, betrad een stenen grot. Een fractie van een seconde dacht hij aan de Temporenaren met hun witte mantels, maar die straalden nooit duisternis uit. Deze gedachte liet hij dus maar snel varen. Oceandus gebruikte magie zodat hij onzichtbaar werd en volgde de groep door een donkere gang. Hoe verder hij liep, des te sterker de geur van alcohol werd. Een zwarte deur zwaaide open en Oceandus glipte als laatste naar binnen. De mensen namen aan een grote tafel plaats en waren door de grijze kappen op hun hoofden niet te herkennen. Oceandus keek om zich heen en merkte dat hij in een kroeg stond. De bar was eindeloos lang en erachter hingen glazen en flessen drank tussen de opgezette koppen van zwijnen, panters en andere diersoorten. De krukken voor de bar hadden poten in de vorm van een klauw, de vloer was plakkerig en er hing een verschaalde rooklucht. De muren waren zwart en om de twee meter hing een luguber schilderij. Oceandus vergat voor een moment zijn missie en bekeek het schilderij van een blonde man, doorboord met lange spietsen die werden afgeschoten via de rug van een knalrood, harig en groot wezen met enorme slagtanden. De extreem lichtblauwe ogen van het monster waren gericht op zijn prooi, net als zijn messcherpe klauwen. Het onderschrift luidde: Monstricore in actie. Vanachter een gordijn verschenen twee gestaltes in zwarte mantels. In een tempo alsof ze alle tijd van de wereld hadden, bewogen ze zich naar de bar en bekeken de mensen die stil aan tafel zaten. Een van hen zei ‘Welkom’ met een stem zo scherp als een mes. Oceandus zou die stem waarschijnlijk nooit meer vergeten. ‘Ik bied jullie een keus. Niemand kan zeggen dat ik een van jullie heb gedwongen. Prefereer je hier te blijven, dan kies je daar zelf voor. Want... wil je macht over de wereld? Sluit je dan aan bij mijn genootschap. Kies je ervoor om een ander pad te volgen, weet dan dat je altijd aan de verliezende hand zult zijn. Ik ken alle geheimen! Doe je mee, dan zul je worden beloond en tot fenomenale dingen in staat zijn.’ Oceandus fronste na deze woorden en kon het niet laten om even achter het gordijn te gluren. Het licht was minimaal, maar hij zag een podium met spiegels. Aan weerskanten hingen stalen kooien waar een persoon net in kon staan mits die niet te lang was. Om het podium waren rode gordijnen gedrapeerd en overal waar hij keek zag hij foto’s en schilderijen hangen. Oceandus’ ogen werden groot en hij voelde zich bijna een voyeur. Naaktportretten van vrouwen in de stalen kooi, zittend op een stoel en dansend op het podium. Iemand van de groep kuchte nerveus en vroeg: ‘Wat verwacht u van ons?’ Snel richtte Oceandus zich weer naar de groep in het besef dat Zitana een nachtclub met alles erop en eraan had. Het zou toch niet waar zijn dat de volwassenen daarom Zitana boven Helios verkozen? De man achter de bar stootte een schorre lach uit. ‘Daar zul je achter komen als je de bravoure vindt om te blijven, maar het staat je vrij om de plaat te poetsen.’ Er stonden twee mensen schoorvoetend op. Zonder een woord te verspillen, vertrokken ze via de zwarte deur en toen wreef de man in zijn handen. ‘Beter kwijt dan rijk. Zijn er meer labbekakkers? Of zijn jullie de ware uitblinkers?’ Uit vele monden klonk een instemmend ‘ja meneer’ en de man begon ineens woedend te schreeuwen. ‘Jullie spreken mij met Dinast aan! Ik wens met geen enkele andere naam te worden aangesproken, omdat ik een Dinast bén.’ Hij liet de woorden even in de lucht hangen en vervolgde op een iets kalmere toon: ‘Nadat besloten is wie solide en vermogend genoeg zijn om zich lid te noemen, zullen we met de inwijding beginnen. Alleen zij die overeind blijven staan, zijn het waardig om mee te dingen naar hetgeen waar alles om draait. Voor lamlendige, afgeleefde weekdieren is geen enkele ruimte in mijn genootschap.’ Er ging een siddering door de groep. Het kon angst, maar net zo goed een verlangen zijn. Toen de groep zich als één oprichtte, kon Oceandus aan de lengte zien dat het hier niet alleen volwassenen betrof. ‘Moge de beste winnen,’ riep Dinast, met zijn handen omhoog geheven. ‘Alleen dan mag je je een Lichthinder noemen!’ Uit zijn hand schoten tientallen bollen, die direct op zoek gingen naar een slachtoffer. Zwarte, witte en waterige, kleurloze bollen vlogen alle kanten op. Een razend gezoem zwol aan, een donkere wolk schoot op iemand af en Oceandus herkende ineens een razende kolk insecten. Vuurbollen suisden door de lucht en een gillend gekrijs volgde toen een mantel vlam vatte. Iemand werd geraakt door een kleurloze bol en de persoon snakte duidelijk naar adem. Oceandus kon een stukje van het rossige hoofd zien en tot zijn grote schrik herkende hij de man. Christopher Geel, waar hij een week geleden nog een borreltje mee had gedronken! Toen deed hij al zo raar, nu Oceandus erover nadacht. Zelfingenomen en zijn ogen stonden zo vreemd. Met de handen om zijn keel lag Christopher naar adem te snakken, terwijl de kleurloze bol zich om zijn hoofd sloot. Nog niet helemaal over de schok heen, keek Oceandus opzij. Een kind werd geraakt door een glimmende, zwarte bol, die uiteen spatte. De kap viel af en het gezichtje was door de bol compleet onherkenbaar. De zwarte bol kroop als een grote spin over het gezicht en daarna over de rest van het hoofd. Oceandus kon nog net aan het lange haar met een roze lintje erin zien dat het om een meisje ging, voor ze achterover op de grond viel en roerloos bleef liggen. Een persoon vloog op het meisje af, maar werd hard achterovergesmeten door een handbeweging van Dinast, die alles vanachter de bar bekeek. Hoongelach klonk op vanonder de zwarte kap, toen er opnieuw iemand vlamvatte door een Vuurbol. ‘Wie niet solide is, verliest! Kassiewijle, ter ziele en uitgespeeld!’ De andere gedaante stond naast Dinast en keek alleen maar toe. Uit de houding leek bewondering en ontzag voor Dinast te stralen. Aan het eind van het macabere schouwspel bleven er enkelen overeind staan; anderen lagen op de grond. Verbrande en stinkende lichamen werden gedoofd, maar voor hen was het te laat. De spanning was bijna tastbaar en Oceandus moest een kokhalsneiging onderdrukken. De overgebleven personen leken trots, ondanks de zojuist gepleegde moorden. ‘Ga zitten!’ brulde Dinast. ‘Als je op felicitaties of lovende woorden wacht omdat je nog ademt en lid bent geworden, dan kun je lang wachten!’ Hij lachte grommend en zijn hoofd bewoog langzaam van links naar rechts. Uiteindelijk bleef zijn blik hangen op één persoon in de groep. ‘Waar wil jij naar informeren?’ Niemand had ook maar enigszins laten merken een vraag te hebben, toch bleek de man het te voelen, alsof iemand net zijn vinger had opgestoken. Toen stond iemand in een grijze mantel op. ‘Ik heb een vraag,’ sprak een zware stem. ‘Ik ben zo vrij om op te merken dat de heer Grameldi niet aanwezig is.’ ‘Aha,’ gromde Dinast demonisch, ‘bespeur ik enige onzekerheid? Scrupule?’ ‘Nee, Dinast, nee,’ haastte de man zich te verklaren. ‘Ik heb alle vertrouwen in u, maar ik nam gewoon aan dat de heer Grameldi...’ ‘Als mijn gezag je enig ongemak bezorgt, kun je nu afreizen. Al kan ik je dan niet garanderen dat je je huis bereikt.’ ‘Eh... ik begrijp het, Dinast.’ De man ging snel zitten en dook onderdanig in elkaar, alsof hij nooit had gesproken. ‘Mogen wij wel weten wie u bent?’ klonk een schelle vrouwenstem. ‘Aalmoezen die naar de hand ruiken, verliezen hun kracht. Dat gezegde ken je toch wel?’ ‘Eh, ja, Dinast, ik begrijp het.’ ‘Ja? En ken je deze ook? Stel de last af op de kracht van de kameel. Ik zou maar geen domme vragen meer stellen, anders ben ik genoodzaakt me op een ander gezegde te beroepen: tegen een zwakke muur moet je niet leunen. Dat zou je niet willen, toch?’ ‘Maar weet de heer Grameldi dat wij hier zijn samengekomen?’ kraste een mannelijke piepstem. ‘Hij moet toch weten wat er in zijn domein...’ Een akelig verlichte, spinaziegroene straal boorde zich in de man. Hij klapte voorover en leek naar lucht te snakken. ‘Niemand praat nog langer over Grameldi of wie dan ook en ook geen verzoeken meer! Laat dit een voorbeeld zijn voor allen: Knokkel hier... –’ Dinast zwaaide even naar de voorovergebogen gestalte – ‘... zal zijn kakement vanaf nu liever niet meer openen.’ Een geladen stilte viel over de groep en alle kappen waren op de gebogen figuur gericht. Plots zat hij weer rechtop. ‘Je mankeert niets, toch?’ smeekte een vrouwenstem naast hem. ‘Toch?’ Ze duwde tegen de man. ‘NEE, IK MANKEER...’ De man deed er plots het zwijgen toe, toen Dinast over de bar boog en vals begon te lachen. ‘Wat zei je, Knokkel? Weet je wat jouw probleem is? Je práát altijd te veel en te graag, als een kip zonder kop. Dat is een zeer afkeurenswaardige eigenschap. Dus ik denk, nu je volume zo toegenomen is, dat je je lesje wel hebt geleerd.’ ‘MAAR DINAST! IK KAN ZO TOCH NIET...’ Hij boog beschaamd zijn hoofd. ‘Je zult niet langer kunnen fluisteren, Knokkel. Aanvaard je straf, je hebt hem verdiend.’ Ineens begon Dinast tergend langzaam om de groep te lopen. ‘Ik heb volledige zeggenschap over de Lichthinders. Jullie zitten hier door mijn meesterbrein. Waar anderen zich verveelden met een Moordbol, kwam ik achter grote geheimen. Jullie hebben toegestemd in de voorwaarden, dus jullie zijn nu van mij. Er is geen weg meer terug en voor berouw is het te laat.’ Hij liet de woorden wegsterven voor hij verder praatte. ‘Jullie krijgen ieder een opdracht.’ Dinast zette een paar stappen vooruit. ‘Die is belangrijk en telt zwaar mee. Hoe grondiger je blijkt te zijn, hoe hoger je positie wordt!’ Dinast hield halt en stond met zijn rug naar de groep. Hij sloeg zijn hoofd achterover en keek omhoog naar een donker geheel. Oceandus probeerde zijn blik te volgen, maar er was niets te zien. Het enige zichtbare waren kleine, glinsterende puntjes die heen en weer bewogen. Toen zag Oceandus dat de gedaante die al die tijd een stille toeschouwer was geweest, langzaam naar Dinast liep. Er was een zekere spanning voelbaar en Oceandus had moeite de connectie tussen deze twee personen te begrijpen. Zonder te kijken stak Dinast zijn hand uit en de stille toeschouwer pakte zijn hand en ging voor hem staan. Ze stonden kap tegen kap, er zinderde iets dat niet zicht- maar wel voelbaar was. Toen begonnen ze te zoenen. ‘Het is een vrouw,’ mompelde Oceandus binnensmonds en zette grote ogen op toen de lichamen tegen elkaar plakten en de armen wilde bewegingen maakten. Dinast duwde de vrouw ruw met haar rug tegen de muur en uitte een grom. ‘Nou ja... Ze staan gewoon een potje te...’ Oceandus geloofde zijn ogen niet. De vrouw begon na de vrijpartij hysterisch te lachen, keek even naar de groep en liep een rondje alsof ze een statement wilde maken. Dinast draaide zich ineens bruusk om en stak zijn handen naar voren. Heel even ging de kap in de richting waar Oceandus stond. Er klonk een valse lach op en toen richtte hij zich weer tot de groep. ‘Ik zal ieder van jullie in persona laten weten wat je opdracht inhoudt. Het zal niet makkelijk zijn, maar dat is het nooit geweest. Onze voorvaderen hebben een poging gedaan, maar het is ze nooit naar behoren gelukt. Omdat ik doorzie waar het om gaat en weet waar het zich bevindt, zal ik geschiedenis schrijven!’ De groep mompelde opnieuw iets onverstaanbaars. Hun kappen waren naar Dinast gericht. Plotseling schoot er uit zijn handen een groene wolk die boven de tafel samenkwam. ‘Aanschouw!’ krijste Dinast. ‘Aanschouw je plicht.’ De groen verlichte wolk roerde zich en splitste uiteen. Er ontstonden tientallen groen met zwarte pijlen, waarna elke pijl zich in het lichaam van de groep boorde. ‘Niemand weet wat de taak van een collega-Lichthinder is,’ zei Dinast. Zijn stem klonk vol vermaak. ‘En dit hou je ook zo!’ De groep ging staan, alsof ze daar net toestemming voor hadden gekregen. ‘De Macht van Vijf!’ riepen ze als één. ‘Ik waarschuw jullie: belazer mij niet. Ik ken jullie families en al jullie smerige geheimen. Medelijden of clementie komen in mijn woordenboek niet voor.’ Oceandus was zich ineens heel erg bewust van zijn rustige leventje in Helios: daar bestond geen zwarte magie. Geen nachtclub ook, nu hij er even goed bij stilstond. Hij kende de identiteit van Dinast niet, maar hij moest worden gestopt. Handen schoten ineens omhoog, alsof de groep iets beroerde dat alleen zij konden zien. ‘Duisternis, kom tot mij! De Macht van Vijf!’ ‘De bar is geopend!’ riep Dinast. ‘We hebben iets te vieren.’ De duistere vrouw gilde onnatuurlijk hoog, nam een sprong en werd opgevangen door Dinast. Ze sloeg haar benen om zijn middel en ze gingen verder waar ze eerder geëindigd waren. Oceandus was misselijk en kon het wel uitschreeuwen. Hij wist ongezien naar Helios terug te keren, waar Gilvano Speldenaar op hem wachtte. Oceandus kon zich vergissen, maar de baard van zijn oude vriend was flink uitgedund. De lichtbruine ogen stonden mat en zijn kleding was verkreukeld, alsof hij er maanden in had geslapen. ‘En?’ vroeg Gilvano gespannen. ‘Heb je die oude Grameldi gesproken?’ Oceandus schudde zijn hoofd en ging er even bij zitten. Hij vertelde Gilvano wat hij te weten was gekomen. Dit nieuws kostte hem op zijn minst de helft van zijn overgebleven baard. ‘En nu? Ik weet dat je een oplossing hebt, Oceandus, je moet! Zeker nu we weten dat ze de Macht van Vijf willen bezitten en jij daar een van hebt! O, als ze dat maar nooit te weten komen! De vraag is: durf en kun je het aan?’ Zijn waarde vriend had gelijk: hij moest dit vreselijke onheil een halt toeroepen voor het te laat was. Hij keek hem met zorgelijke ogen aan. ‘Een storm is ophanden. Wanneer je het duister in je leven hebt toegelaten, is het niet makkelijk je ervan te ontdoen. En zelfs onze goede mensen laten het in hun leven toe. We weten nu waarom en daar moet een eind aan komen. Dus het antwoord op je vraag is ja. Ik durf en kan het... En wel zo spoedig mogelijk voor het te laat is.’
Uitgeverij De Omslag
Bezoekersreacties:
|