Een interview met Alexandra Penrhyn Lowe
Door: Cocky op 6 juli 2012


Wil je alles weten over Alexandra Penrhyn Lowe, schrijver van het boek Sevenster?

Magic Tales ging voor jou naar Amsterdam en vroeg haar het hemd van het lijf. In dit interview vertelt ze over de Anubisboeken, Sevenster, over haar angsten en namen we een kleine paranormale afslag. 


                                                        

En zo stap ik in hartje Amsterdam een ambachtelijke bakker in waar ik heb afgesproken met Alexandra Penrhyn Lowe, schrijver van het pas uitgekomen boek: Sevenster. Een ontzettend spannende Young Adult die ik binnen no time had opgesmuld. De meeste mensen zullen Alexandra kennen van Anubis, maar nu heeft ze zelf een boek geschreven. Een goede reden om haar eens op te zoeken en nader kennis te maken. De bakker ruikt heerlijk naar vers gebakken brood. Ik passeer de houten counter waar allemaal lekkere dingen op liggen en loop naar de trap van de vide waar tafeltjes staan om aan te zitten. Onder de vide is de bakkerij en ik zie allemaal diverse broodjes voorbij komen. Ik loop de trap op. Alexandra zit er al. Ik stel me voor en ga zitten, terwijl zij vertelt dat ze hier wel vaker zit en schrijft. Op tafel ligt dan ook een schrift met een harde kaft en een boek. We bestellen wat te drinken en beginnen eigenlijk al direct te kwekken met elkaar.

                ‘Mag ik het opnemen?’

                ‘Ja, natuurlijk. Wat wil je eigenlijk allemaal weten?’

  ‘Van alles eigenlijk? Over Anubis bijvoorbeeld. Hoe ben je erin gerold?’

  ‘Dat is eigenlijk een heel leuk verhaal. Ik werkte voor LINDA. Magazine.’

                ‘Oh, wat leuk!’

‘Ja, heel erg leuk en vooral heel erg leerzaam, en ik heb geschiedenis en journalistiek gestudeerd met als bijvak film, en ik wilde altijd eigenlijk al schrijver worden, maar ik wist niet zo goed hoe. En in Nederland wordt toch al niet zo gestimuleerd. In Amerika wordt dat al veel meer geaccepteerd en kun je cursussen doen en heb je gewoon veel meer. In Nederland niet. We hebben acteerscholen, een conservatorium, een kunstacademie, maar gek genoeg geen serieuze schrijfopleiding. Ik heb wel een cursus gedaan op de schrijversvakschool, maar meer is er niet, al komt het geloof ik al wel iets meer. Maar ik was dus journalist, maar eigenlijk wist ik dat ik echt een schrijver wilde worden. En bij de Linda werken was wel heel erg zwaar, ik was een beetje te lief voor dit beroep omdat ik vaak teveel opging in de zware onderwerpen waar ik over schreef. Mijn chef tekst zei op een gegeven moment tegen me: ‘Je moet kiezen, Alexandra: of je wordt journalist, of sociaal werker. Want je kunt niet beide doen.’

‘Sociaal werkster ook gewoon! Nou ja!’

‘Ja, ik vond het heel erg leuk om te doen, maar als mensen het dan lazen, schrokken ze soms van hun eigen openhartigheid. Dan wilden ze dat ik het redigeerde, maar dat wilde mijn eindredacteur dan begrijpelijkerwijs niet. Tussen die twee vuren inzitten vond ik vreselijk moeilijk.

                Dan komt de serveerster onze besteling brengen. Voor mij een cappucino en voor Alexandra een spa blauw. We bestellen gelijk allebei een broodje.

‘Toen heb ik ontslag genomen. Ik nam me voor om te gaan reizen en te een boek te gaan schrijven.’

‘Wauw. En waar ben je naartoe gegaan? Of ben je de wereld rond geweest?’

‘Nou, dat was wel de bedoeling, maar toen ik in Thailand was, kreeg ik een ongeluk. Niet heel ernstig, hoor, maar ik kon even niet verder. En toen ben ik daar twee maanden gebleven. In Australië ben ik toen begonnen met schrijven en in Italië heb ik het boek afgemaakt. Ik heb hem trouwens in het Engels geschreven.

‘Oh, da’s ook best knap.’

‘Nou ja, het was vooral lafheid eigenlijk. Ik durfde gewoon niet in mijn eigen taal te schrijven.’

‘Ja, dat herken ik wel. Ik heb dat ook steeds, dat je een soort faalangst hebt als anderen het lezen, omdat het zo dicht bij je staat. En als anderen dat dat lezen … ik vind het doodeng.’

‘Oh, hou op. Ik heb nachtmerries gehad toen mijn boeken uitkwamen, zo bang was ik. Misschien vindt wel niemand het leuk! Maar goed, in het Engels dus, het stond gewoon wat verder van me af, het was eigenlijk gekkenwerk om te denken dat ik een hele roman in het Engels kon schrijven, maar ik vind het verhaal nog steeds leuk. Ik heb hem aan een vertrouwenspersoon laten lezen, die zei tegen mij: schrijf alsjeblieft in je eigen taal, maar je bent wel echt een schrijver. Je weet wel echt hoe je een verhaal moet schrijven, dus ga alsjeblieft door.’

‘Ah, geweldig.’

‘Ja, en toen zei ze: het klinkt ook echt als een film, dus waarom ga je niet een cursus scenario schrijven doen? En die ben ik toen gaan doen en toen kwam ik op een feest van mijn nichtje en daar ontmoette ik een vriendin van haar die producent bij Nickelodeon was. Zij vertelde mij dat een vriendin van haar, Anjali Taneja bezig was met een kinderserie en schrijvers zocht voor haar team. Dat was Het Huis Anubis.

‘Leuke contacten heb jij.’

‘Haha, ja, maar dit was heel toevallig, hoor, want ik wilde eigenlijk niet eens naar het feest gaan, want ik voelde me niet zo lekker en zij wilde ook niet naar dat feest gaan, omdat zij zich ook niet zo lekker voelde. Maar we waren allebei toch gegaan en toen raakte we met elkaar in gesprek.  Toen kwam eruit dat ik als dialoogschrijver bij Anubis aan de slag kon. Zij zei: stuur je c.v.  En ik nog: maar ik heb eigenlijk helemaal geen ervaring. Ah, joh, zei ze, dat geeft helemaal niet. En zo is het eigenlijk gekomen met Anubis.  Na het eerste seizoen ben ik mee gaan helpen met de lange lijnen verzinnen. Het Huis Anubis gaat over het oude Egypte, dus mijn geschiedenisachtergrond kwam goed van pas.  En het klikte zo ontzettend goed met Anjali Taneja, zodat we op een gegeven moment heel veel samen gingen verzinnen. Op een gegeven moment werd ik haar rechterhand.’

‘Het is ook hartstikke leuk dat je dit samen hebt kunnen doen. Ik vind altijd dat als je goed op elkaar bent ingespeeld bent, je tot grotere hoogte komt. 1 + 1 = 3 in dat geval.’

‘Dat heb je niet met zo heel veel mensen. Dat moet je echt koesteren.’

‘Ja, klopt. Met zij tweeën ben je dan zo aan het pingpongen en dan kom je tot zoveel meer.’

‘En dat vind ik dan ook wel weer zwaar aan een boek, want als ik dan een hobbel heb waar ik doorheen moet, met zijn tweeën neem je die zo. Twee mensen weten nu eenmaal meer dan één.’

‘Ja, dat is ook zo. Maar had je bij Sevenster een paar hobbels? En heb je dat dan niet met iemand overlegd?’

‘Ik heb het uiteindelijk laten lezen aan , een  vriend die me ook een paar keer had geholpen met de Anubisboeken. Dus ik heb hem de eerste versie laten lezen en daar heeft hij op geschoten, zo van: dit vind ik ongeloofwaardig, daar heb een probleem mee enz. En daar ben ik mee aan de slag gegaan en heb ik al die dingen opgelost. En toen heb ik echt de helft weggegooid van het manuscript, de andere helft herschreven en toen weer een deel erbij geschreven. Dat hele proces, dat hoort er ook gewoon bij.’

‘Ja. Zo’n verhaal moet zich ook ontwikkelen.’

‘En dat doet het ook.’

‘Je hoofdpersoon, Eveline, ontwikkelt zich ook in het verhaal. Eerst is ze echt zo’n typische bakvis, maar uiteindelijk een heel verantwoordelijk persoon. En dat moet natuurlijk ook, denk ik, voor het volgende boek?’

‘Nou, het grote ding in dit boek is eigenlijk dat ze moet accepteren dat ze niet normaal is, en als ze dat juist niet doet, dan gebeuren er verschrikkelijke dingen. Dus ze moet voor zichzelf gaan staan, zeg maar. En dat is natuurlijk heel moeilijk, want het is moeilijk om anders te zijn dan andere mensen.’

‘Ja, zeker op die leeftijd.’

‘Precies. En er zit natuurlijk een supernatural element aan. Ik gaf laatst een workshop aan pubers, en het viel me op hoe eenzaam de meesten zijn, ook omdat ze zichzelf niet durven zijn.’

‘Klopt. Ik denk ook dat de meeste pubers zichzelf ook niet durven te zijn uit angst dat ze erbuiten vallen en dat ze op school zichzelf een bepaalde rol aanmeten om maar erbij te horen.

Ja, om niet buiten de groep gezet te worden. Dat was ook zo leuk aan die workshop, het was een spoken word poetry workshop. Ik had een paar voorbeelden laten zien en ik zei: ik wil dat jullie gewoon jullie zelf zijn, gewoon jullie eigen woorden gebruiken, want ik vind dat je pas dan iets echt kan overbrengen. Ik had een paar regels gesteld zodat ze zich wat veiliger voelden om zichzelf te kunnen zijn, en het was heel gaaf om te zien dat ze dat toen ook durfden en deden. Dat vond ik zo gaaf om te zien. Het maakte ook helemaal niet uit wat ze zeiden, maar dat ze er gingen staan als zichzelf, dat vond ik toen zo cool om te zien.’

‘Ja, gaaf.’

‘Ik moest er bijna van huilen dat ze hun maskers af durfden te doen. Het was fijn om ze dat mee te geven. Dat heb ik ook met mijn boek. Het gaat toch over een buitenbeentje en als er ook maar één iemand is die zich daar een beetje door begrepen voelt of wat dan ook, dan ben ik tevreden.’

‘Mooi.’

‘En bij mij is dat dan ingebed in een spannend verhaal, omdat ik dat het leukste vind. Carry Slee bijvoorbeeld, schrijft prachtige boeken, heel realistisch. Ik zou dat niet kunnen, ik zou altijd ergens een luik moeten open trekken waar dan iets uitkomt dat niet bestaat.’

‘Ja, dat ken ik, heb ik ook. Aan de ene kant is dat moeilijker, omdat je echt alles moet verzinnen, aan de andere kant makkelijker, omdat je altijd die kant nog op kunt.’

‘Ja, inderdaad.’

De serveerster brengt onze broodjes.

‘En wat vond je nu leuker om te schrijven? Anubis of Sevenster?’

Ze valt even stil. ‘Zo, da’s een lastige, zeg. Kijk, ik had dit nooit kunnen schrijven als ik Anubis niet had gedaan.’

‘Dus het is eigenlijk een groot leerproces geweest?’

‘Ja, ik denk dat het een grote schrijfschool was geweest en een veilige paraplu waar ik onder zat. Ik kon zoveel leren zonder dat meteen mijn naam groot op de voorkant stond. Daar was ik op dat moment ook echt niet aan toe. En het was ook zo leuk om te doen.’

‘Goh, wat een lekker broodje, zeg.’

‘Ja, ze zijn heerlijk. Ik kom hier graag.’

‘En Anubis was ook zo succesvol.’

‘Ja. En mensen zeggen dan nu: ja maar Sevenster is echt van jezelf. Maar Anubis voelde ook als van mezelf.’

‘Natuurlijk. Want je bent er op dat moment zo mee bezig en je schrijft het en …’

‘Ja, en het stond zo dichtbij me. Ik kreeg van Anjali als sollicitatie de opdracht om zes scenes te schrijven over een meisje dat een geheim heeft waar iemand achter komt. En toen had ik het volgende bedacht: een broer en een zus worden naar een oudtante gebracht in een heel oud huis, omdat hun moeder heel ernstig ziek is en hun vader kan op dat moment niet voor hen zorgen. Als ze daar komen, vindt het meisje in haar kamer een briefje met een aanwijzing voor een levenselixer in een skelet dat op haar kamer staat – zo eentje uit het biologielokaal. Met het elixer kan ze uiteindelijk haar moeder redden. Dat had ik verzonnen en dat leek heel erg op Anubis met het oude huis en het levenselixer en zo.’

‘Wow.’

‘Later hadden we soms ook het gevoel dat onze hersens aan elkaar vastzaten als we dingen voor Anubis verzonnen, we wisten ook echt niet meer wie wat nou had bedacht. Dus Anubis voelde al als van mezelf voordat ik zelfs maar mee deed.

Dit, ze wijst naar het boek, vond ik heel moeilijk. Er kwamen allemaal angsten naar boven. Kan ik dit wel? Kan ik dit wel alleen, kan ik dit zonder Anjali of andere mensen? Ben ik wel goed genoeg? Dat vond ik echt heel erg. Maar volgens mij hebben de meeste schrijvers dat.’

‘Haha, ja klopt. Mijn man zegt ook vaak zat: doe toch eens normaal. Je kunt prima schrijven. Hop, schrijf gewoon. Daarna ga je maar herschrijven en zo.’

‘Ja, dat is wel waar.’

‘Dus dan pak ik mijn laptop, doe hem open en dan denk ik: ohhh, kan ik dit wel? En dan moet ik nog beginnen, weet je wel. Grappig om te zien dat meer mensen dat hebben.’

‘Ik heb wel eens letterlijk trillend van angst achter de computer gezeten omdat ik zo bang was.’

‘Erg hè? En dan die ene witte pagina voor je neus.’

‘Het enige dat helpt is schrijven. En echt gedisciplineerd schrijven, elke dag, En elke dag zoveel woorden.’

‘En hoeveel schrijf jij? Per dag?’

‘Dat ligt er een beetje aan of ik veel ander werk heb, maar ik probeer ongeveer 1000 woorden per dag te schrijven. Maar er zijn ook wel tijden bij dat ik veel meer schrijf. Er is ook wel eens een dag dat ik twintig pagina’s schrijf. Maar meestal dus 1000 woorden, dat komt overeen met drie pagina’s ongeveer.’

‘En hoe lang doe je daar ongeveer over? Of is dat heel verschillend?’

                ‘Het lukt niet altijd, maar ik probeer altijd ’s ochtends aan mijn boek te schrijven en dan ’s middags aan ander werk.’

‘En wat voor ander werk doe je precies?’

‘Ik schrijf momenteel mee aan de senario’s voor Vrijland, dat is een jeugdserie die nu loopt bij de KRO. En verder wat er langs komt. Vorig jaar heb ik het gecombineerd met het schrijven van Vrijland en Anubis.’

‘En schrijf je in het weekend ook door?’

‘Vaak wel, ja. Al is het alleen maar om mijn ritme vast te houden. Ik zou het niet kunnen niets te schrijven uiteindelijk. Ik schrijf altijd wel wat. Of het nou in mijn dagboek is of gedichten of liedjes, noem maar op. Ik word heel erg chagrijnig als ik niet iets maak. Daar ben ik wel achter gekomen, en de mensen om me heen ook, dat ik iets moet creëren. Maakt niet uit wat. Knutselen, tekenen, of wat dan ook. Eigenlijk is het gewoon een beetje autistisch of zo.’ Ze grinnikt.

‘Denk je? Volgens mij ben je juist gewoon mega creatief.’

‘Ja, misschien wel. Maar weet je? Als ik met mensen ben, ben ik hartstikke sociaal en kan ik lekker kletsen en zo, maar mensen vergeten dan vaak dat ik verder de hele dag alleen ben, lekker thuis, achter de computer, kat op schoot en ik zou ook niet anders kunnen. En als ik dan met wat langer met mensen ben, komen ze erachter dat ik ook heel introvert ben en stil. En dan vragen ze altijd meteen: is er soms wat? Is er iets aan de hand? Heb je het wel naar je zin?  Maar dan is er helemaal niets met mij. Aan het einde van Sevenster heb ik me echt anderhalve maand afgezonderd, met de gordijnen dicht. Ik kon wel ’s avonds naar een toneelstuk of naar de film of zo, maar als je mij dan in sociale situaties zag, nou … met Oud en Nieuw of zo … Maar gelukkig heb ik hele goede vrienden die dat respecteren en dan denken: laat dat kind maar.’

‘Als je het maar naar je zin hebt.’

‘Dat heb ik zeker.’

‘Ik merk ook wel dat als je schrijft je vaak aan het nadenken bent. Dat er dan een heel verhaal in je hoofd afspeelt en dan ben je inderdaad stil. Maar ondertussen ben je dan eigenlijk aan het werk.’

‘Ja, precies. Dan ben je eigenlijk ook even niet in deze wereld. Ik stond er soms ook echt mee op en ging ermee naar bed.’

‘Maar eigenlijk moet dat ook gewoon, volgens mij, kan dat ook niet anders.’

‘Ja, alleen moet je dat niet het hele jaar door doen. Het is zo intensief. Dat zou ik gewoon niet vol kunnen houden.’

‘Nee, dat kan ook niet.’

‘Maar het is wel leuk, hoor, hoe alles ontstaat. Nu ook met het tweede boek. Langzaam sprokkel en verzamel ik van alles. En dan ineens: Oh! Oh! Dan vallen er weer dingen in elkaar.’

‘Ik weet niet hoe dat bij jou zit, maar ik heb juist als ik bijvoorbeeld aan het soppen ben of aan het douchen vaak van die invallen. Dat de puzzelstukjes op hun plek vallen.’

‘Ik heb dat juist als ik muziek luister. Ritmes. Annie M.G. Smit tikte altijd et een vinger op tafel als ze haar verhaaltjes en versjes hardop las om te kijken of er een ritme inzat.’

‘Oh, wat grappig! Ja, dat geloof ik wel. Ze schreef ook altijd van die rijmpjes voor hele jonge kinderen. En dan moet het ritme wel kloppen ja. Lees je zelf ook hardop als je iets hebt geschreven en je wilt weten of het goed is?’

‘Ja, doe ik. Vooral met dialogen, die doe ik sowieso wel, want je moet kijken of het klopt een je moet ze timen. Maar niet heel het boek, dat is een beetje veel.’

‘Haha, ja, ga er maar aanzitten. En bij een luisterboek? Zou je dat zelf voor willen lezen?’

‘Nou, ja, dat zou ik wel leuk vinden, hoor. Maar ik zou het ook leuk vinden als iemand anders hem voor zou lezen.’

‘Maarreh … je tweede boek, ben je al ver?’

‘Nee hoor, nog niet.’

‘Weet je wel al hoe hij helemaal moet lopen?’

‘Ja, dat wel, maar ik ben er nog niet ver mee.’

De serveerster komt onze borden weghalen en vraagt of we nog iets willen drinken.

Jij nog wat?

‘Nee, dank je, ik zit hier ook al vanaf vanmorgen negen uur.’

‘O ja? Heb je hier geschreven?’

‘Nee, dat niet,  ik had nog een afspraak met iemand dus dat kwam ontzettend goed uit. Maar ik schrijf wel op allerlei plekken, hoor.’

‘En doe je dat dan op de laptop of met de hand?’

‘Nou, mijn researchdingen schrijf ik allemaal met de hand en omschrijvingen en dat soort dingen. Ik vind het niet fijn om op de laptop te schrijven, schrijf liever met de hand. Dus alle conceptdingen echt met de hand en het gewone schrijven zeg maar op de computer. Ik vind het gewoon fijn om met de hand te schrijven. Kijk, ik heb van deze boekjes,’ ze laat het schrift met de harde kaft zien dat op tafel ligt, ‘dummies, en dan heb ik twee kanten.’ Ze draait hem om en om. ‘De dagboekkant en de projectenkant. En dit is dus allemaal het vervolg.’

‘Handig. En dat sleep je dus overal met je mee.’

‘Ja. Ik was laatst met een vriendin op pad en toen was ik hem vergeten. Ik was gewoon onthand, kan gewoon niet meer functioneren. Ik werd er helemaal chagrijnig van.’

‘En als iemand je dan een stuk papier geeft, ben je dan wel weer gelukkig?’

‘Niet helemaal. Ik denk dat dat aan mijn sterrenbeeld ligt, ik ben sterrenbeeld maagd. Volgens mij zijn die heel punctueel en ik kan er dan niet zo goed tegen dat er iets op een los vel staat. Dat wordt er dan ook ingeplakt.’

‘Jij bent een planner denk ik met schrijven, hè? Plan je het verhaal dan ook helemaal van a tot z in?’

‘Nou, niet echt. Ik ben een planner in tijd, dat wel, anders verzand ik in mijn eigen chaos, maar met schrijven laat ik mezelf wel graag verrassen. Ik heb de eerste versie ook heel intuïtief geschreven, heel intuïtief. Ik heb mezelf enorm laten freeweelen, waardoor ik wist dat er best veel herschreven moest worden.’

‘En hoe ben je eigenlijk op het idee gekomen? Kwam dat doordat je geesten zelf zo eng vindt? Of heb je zelf ooit glaasje gedraaid?’

‘Dat kwam eigenlijk doordat mijn moeder me er altijd voor waarschuwde. Die zij altijd dat ik een gevoelig kind was. Dus die had zoiets van: nou, daar moet je je maar heel ver van houden. Die hamerde daar heel erg op. Het was zelfs zo dat ze zei: als het ooit gebeurt, ergens op een feestje of zo, dan wil ik niet dat je blijft. Sterker nog, dan wil ik dat je het huis uit gaat. En dan bel je mij en dan kom ik je ophalen. Maar je moet gewoon weg gaan. Ik wil niet dat je dan daar in die ruimte bent of zelfs in dat huis. Ik denk wel dat mijn moeder daar bang voor was.’

‘Misschien omdat ze het zelf ooit heeft gedaan?’

‘Nee, ze heeft het zelf nooit gedaan. Ze had een oudtante, volgens mij, ik weet niet helemaal zeker wie het nou precies was, die helderziend was, ik heb een hekel aan dat woord, maar ja, die haar ooit de toekomst heeft voorspeld en dat is allemaal uitgekomen. En misschien dacht ze: zij is zo’n gevoelig kind, misschien heeft zij daar ook wel last van.’

‘En? Heb je dat?’

‘Nou, nee, niet meer of minder dan anderen. Maar dit is wel haar ding, den ik, geweest.’

‘Ja, zo van ze heeft zo’n flexibele geest en …’

‘Ja, stel je voor dat het lukt en zo. Maar dat denk ik zelf ook. Ik ben wel heel sceptisch over van alles en nog wat, maar ik denk dat je er wel heel erg bang van kan worden. Dat denk ik wel. Ik weet niet of jij het wel eens gedaan hebt.’

‘Nee, ik ook niet, nee. Maar ik denk wel dat je gelijk hebt. Dat als je het gedaan hebt, en de buren timmeren op de muur, dat je dan denkt: Oh, een klopgeest!’

‘Ja, precies. En ik denk echt wel dat er niet zozeer mensen gek van zijn geworden, maar wel soort doordraaien. Ik geloof dan weer wel in energieën, dat we allemaal een bepaalde energie uitstralen en dat we die misschien wel kunnen bundelen en bepaalde dingen voor elkaar kunnen krijgen.’

‘Ja, daar geloof ik ook in. Ik heb een cursus zelfverdediging gedaan, jaren geleden, en daar leerde ik dat je middelpunt achter je navel zit. En als je je daar op concentreert, kan je bepaalde dingen. Zo ben je zwaarder, kan je heel moeilijk worden opgetild, of kan niemand je arm buigen. En dat is echt waar. En dat is dan niet eens magie, maar gewoon je eigen lijf.’

‘Ik heb ook zo’n soort cursus gedaan. En wij kregen de opdracht op in een haag te gaan staan en eentje van ons moest even op de gang gaan staan. Vervolgens werd er iemand anders aangewezen en die moest heel slecht over diegene op de gang gaan denken, terwijl die door de haag liep. En diegene moest dan de ander aanwijzen die slecht over hem dacht. En iedere keer werd de goede aangewezen. Ik moest zelf ook een keer en je voelt het gewoon. Ik liep door de haag en ik zei: jij bent het. En dat klopte. Dat was zo bizar.’

‘Heel bizar. Gewoon echt de negatieve energie.’

‘Ja, ik heb ook, dat is meer intuïtie denk ik, als ik bij iemand sta en daar een onwijs rotgevoel van krijg, dat ik daar dan naar luister. Ik heb een keer gehad dat ik op de snelweg reed in een Smart en werd ingehaald door een auto met een enorme bos hout op het dak, een uit elkaar gehaalde kast of zo. En ineens had ik zoiets van: dit is niet goed! Dus ik hou in en ga langzamer rijden en ineens liet het hele pakket los. Al dat hout op de snelweg, auto’s alle kanten op. Ik kon er nog net omheen. En ja, als er een plank op die Smart gestuiterd was … die heeft zo’n groot raam en als dat er doorheen komt, nou.’

‘Een Smart heeft ook bijna geen kreukelzone, is heel compact.’

‘Precies. Nou, en naar zulke dingen, daar moet je gewoon naar luisteren.’

‘Ja. En weet je, een menselijk brein is groot en de moderne mens gebruikt maar zo’n klein deel. Ik denk best dat er mensen zijn die meer capaciteit hebben, die net een stukje meer gebruiken, dus dat dat niets heeft te maken met rare dingen en zo.’

‘Ik denk dat het ook te maken heeft met energieën, energiegolven en zo. En dus is het niet slecht om dat op te vangen en om daar naar te luisteren. Tegenwoordig moet alles natuurlijk logisch zijn,’ reageert Alexandra.

‘Dat is ook eigenlijk wel zo. Mensen luisteren tegenwoordig niet meer naar hun gevoel. Net zoals aura’s. Een aura is ook eigenlijk alleen maar zonlicht wat op een object schijnt en teruggekaatst wordt en de energie die je uitstraalt. En dus kan ik me heel goed voorstellen dat als iemand heel slecht over je denkt, dat je die negatieve energie dus kan voelen.’

‘Ja, dat denk ik. Maar hoe kwamen we hier nou eigenlijk op?’ vraagt ze.

‘Ehh , o ja, glaasje draaien.’

‘O ja, en dat ga ik dus nooit, nooit doen. Toen ik in de horeca werkte in Amsterdam, waren een keer aan het naborrelen, kaarsjes aan, beetje drinken en toen zei een meisje: laten we glaasje draaien. En ik voelde zo een koude rilling langs mijn kuiten trekken en ik zei: Oké, ik ga weg.’

‘En? Heb je er nog wat van gehoord?’

‘Ik heb echt nooit meer iets van die mensen vernomen.’

‘Haha! Heb ik nog een laatste vraag: zou je Sevenster voor me willen signeren?’

‘Ja, natuurlijk!’

‘Weet je al wanneer je tweede boek klaar moet zijn? Heb je een deadline gekregen?’

‘De eerste versie in september. De tweede denk ik in december of zo.’

‘En wanneer zou het ergens uit moeten komen?’

‘Ik denk de boekenweek, in maart.’

‘Red je dat met de redactie en zo?’

‘Dat hangt er een beetje vanaf, maar ik denk dat het tweede boek minder tijd gaat kosten dan het eerste.’

‘Ja, je verhaal is er natuurlijk al, je ondergrond.’

‘Klopt, en in de eerste moest ik de karakters nog ontwikkelen en ik ken ze nu.’

‘Ik ben echt hartstikke benieuwd. Ik vond het eerste deel al ontzettend goed. Hartstikke bedankt, Alexandra, voor dit leuke interview.’

 

 

Cocky



Bezoekersreacties:
Suzanne hartog (17) op 9 juli 2012:
Leuk intervieuw , ik wist niet dat ze eigenlijk nederlands was zelf , gewoon nooit gelezen of tot me doorgedrongen

Maria (36) op 9 juli 2012:
Wow wat een geweldig interview en wat een leuk mens is Alexandra!! Super gedaan Cocky!!